De winter van 1739–1740 trof grote delen van West-Europa met een uitzonderlijke vorstperiode, met diepe gevolgen voor landbouw en voedselvoorziening. In rurale gebieden, zoals de Meierij van de Gete, leidde uitwintering van granen tot dramatische opbrengstverliezen en sociaaleconomische druk op pachters. De schepenbank van Neerlanden, bijgestaan door de pastoor, stelde op 1 juli 1740 een visitatieakte op waarin de mislukking van tarwe, wintergerst en andere wintergranen officieel werd vastgesteld. Deze bijdrage analyseert de akte als casestudy van een juridisch instrument dat lokale veerkracht bood in de nasleep van een klimaatramp. De casus toont hoe lokale instellingen een buffer vormden tussen economische verplichtingen en humanitaire nood.
In 1746–1747 ontstond tussen Neerlanden en Neerhespen een conflict over een dorpsgrens die eeuwenlang vanzelfsprekend leek. Het ging niet om wie de akkers bewerkte, maar om wie het recht had belastingen te innen en recht te spreken. De Soevereine Raad van Brabant in Brussel besliste dat beide dorpen de grens opnieuw zouden vastleggen in het landschap, met paalstenen en herkenningspunten. Zo kreeg Neerlanden voorlopig het voordeel. De abdij van Sint-Geertrui verzette zich echter tegen mogelijk verlies van inkomen en macht. Dit lokale geschil toont hoe grenzen in onze streek ooit onderhandelbaar, betwist en vooral politiek waren.
Bibliografische referentie:
Georges Wemans, "Gatianum", Van akkers tot rechtsmacht. Hoe een grensconflict tussen Neerlanden en Neerhespen uitgroeide tot een strijd om macht en belasting (1746–1747), https://www.wemans.be/blog/index.php?grensconflict-tussen-neerlanden-en-neerhespen
Bibliografische referentie:
Georges Wemans, "Gatianum", Van akkers tot rechtsmacht. Hoe een grensconflict tussen Neerlanden en Neerhespen uitgroeide tot een strijd om macht en belasting (1746–1747), https://www.wemans.be/blog/index.php?grensconflict-tussen-neerlanden-en-neerhespen